zaterdag 17 juni 2017

Conservatoir beslag (1). Eisen aan het beslagrekest.

1. Beslagrekest
Het verlof tot het leggen van conservatoir beslag wordt verzocht bij verzoekschrift (art. 700 lid 2 Rv). Op het rekest zijn de bepalingen van art. 278 Rv jo. art. 261 Rv van toepassing.
Het beslagrekest dient te worden ondertekend door een advocaat, nu indiening niet bij de kantonrechter geschiedt en géén bijzondere wettelijke bepaling van toepassing is die de hoofdregel van indiening door een advocaat uitzondert (art. 278 lid 3 Rv).
Opvallend is dat zowel art. 278 als 700 Rv zwijgt over het vermelden van de naam en adresgegevens van de gerekwestreerde c.q. belanghebbende in de verzoekschriftprocedure.

De gerekwestreerde behoeft niet eerst te worden gehoord: in de verzoekschriftprocedure is de mondelinge behandeling immers een uitzondering. Zo zal de rechter zich aanstonds onbevoegd verklaren of het verzoek toewijzen (art. 279 lid 1 Rv). Omdat het beginsel van hoor en wederhoor veelal wordt gepasseerd met het oog op het spoedeisende karakter van het conservatoir beslag, komt in het bijzonder betekenis toe aan art. 21 Rv.

1.1.1 Inhoud beslagrekest
In het rekest dient te worden vermeld (art. 700 lid 2 Rv):

a. de aard van het te leggen beslag en het door de verzoeker ingeroepen recht;
b. zo dit recht een geldvordering is, het bedrag dat vaststaat of, zo dit niet vaststaat, het maximum daarvan;
c. het voormelde onverminderd de bijzondere eisen, door de wet gesteld voor een beslag van de soort waarom het gaat.

1.1.2. Motivering beslagrekest
De wet is summier ten aanzien van de onderbouwing van het beslagrekest (zie art. 700 lid 2 Rv: 'de voorzieningenrechter beslist na summier onderzoek'). Artikel 700 i.s.m. art. 278 Rv, wekt de indruk dat de invulling van het beslagrekest, de beoordeling ervan en de verlening van het verlof tot conservatoir beslag, nogal 'sec' zijn, dit zwaar ten nadele van de schuldenaar die zijn visie niet kan laten blijken én met het risico op een onterecht verleend beslagverlof.

Met het oog op art. 21 Rv, waaruit de plicht volgt om de feiten volledig en naar waarheid te weergeven, dient de motivering van het beslagrekest echter gedegen te zijn, dit in afwijking van de regel dat de substantiëringsplicht (vgl. art. 111 lid 3 Rv voor de dagvaardingsprocedure) niet geldt in verzoekschriftprocedures.

Een beslaglegger riskeert opheffing van het conservatoir beslag, als de feiten niet volledig zijn weergegeven en een ondeugdelijke vordering ten grondslag is gelegd aan het rekest. In het beslagrekest dient melding te worden gemaakt van alle lopende, doorlopende of beëindigde procedures die relevant zijn voor een goede (zij het summiere) beoordeling van de zaak, daaronder eerder ingediende beslagrekesten begrepen (Rb. Rotterdam, 7 december 2015, (ECLI:NL:RBROT:2015:9234), r.o. 4.1- 4.4.).

De "best practices" van LOVCK, zoals opgenomen in de beslagsyllabus van De Rechtspraak, bieden een goede handleiding voor het deugdelijk motiveren van het beslagrekest. In het rekest dient te worden vermeld of er sprake is van:
a. een vordering uit overeenkomst- onbetaalde facturen;
b. een vordering uit overeenkomst- overig;
c. een vordering uit onrechtmatige daad of op andere grondslag.

A. Vordering uit overeenkomst-onbetaalde facturen
In het rekest wordt vermeld:
a. een summiere omschrijving van geleverde goederen/ diensten;
b. door de schuldenaar tegen de vordering aangevoerde verweren en de gronden daarvoor;
c. een factuuroverzicht met factuurnummers, data en bedragen;
d. de aanmaningen of een overzicht van aanmaningen.

B. Vordering uit overeenkomst-overig

In het rekest wordt vermeld:
a. een voldoende feitelijke omschrijving van de vordering en de grondslag daarvan;
b. door de schuldenaar tegen de vordering aangevoerde verweren en de gronden daarvoor;
c. het contract en de ingebrekestelling, of, bij ontbreken van een contract, een uiteenzetting van de mondelinge overeenkomst.

C. Vordering uit onrechtmatige daad of op andere grondslag
In het rekest wordt vermeld:
a. een omschrijving van de grondslag van de vordering (onrechtmatige daad, toerekenbaarheid, causaliteit, schade);
b. door de schuldenaar tegen de vordering aangevoerde verweren en de gronden daarvoor;
c. relevante bewijsstukken ter summiere beoordeling en de aansprakelijkstelling, die bij fraude in beginsel achterwege blijft.

De beslagsyllabus vermeldt onder meer de volgende inhoudelijke vereisten die in de rechtspraktijk worden gesteld aan het beslagrekest:

1. in het kader van proportionaliteit en subsidiariteit, aspecten die bij de summiere afweging van wederzijdse belangen worden betrokken, dient in het rekest te worden vermeld waarom beslag nodig is en waarom gekozen is voor een bepaald beslagobject en niet voor een minder bezwarend beslagobject;
2. als de vordering in de hoofdzaak is ingesteld, worden de gegevens daaromtrent in het rekest vermeld;
3. is de vordering in de hoofdzaak nog niet ingesteld, dan wordt de termijn voor het instellen van de hoofdzaak in het rekest vermeld. De wet bepaalt dat de termijn acht dagen na het beslag beloopt (art. 700 lid 3 Rv); in de praktijk wordt de termijn echter op 14 dagen bepaald. Een verzoek om een afwijkende termijn dient in het rekest te worden onderbouwd;
4. hoewel een niet bij voorraad uitvoerbaar verklaard beslagverlof aan de deurwaarder een toereikende legitimatie oplevert, kan de verzoeker voor alle zekerheid in het beslagrekest verzoeken om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren (vgl. art. 233 Rv);
5. alle toelichting van de kant van de verzoeker dient bij voorkeur in het rekest te worden opgenomen.

Alle punten die essentieel zijn voor de behandeling van het verzoek, dienen in het rekest te worden opgenomen. Het verdient niet de voorkeur om enige motivering in de bijlage (begeleidende brief e.d.) op te nemen.

1.2. Bedragen vordering bij verlof voor verhaalsbeslag

De vordering bij het verlof voor verhaalsbeslag wordt als volgt begroot:

a. bij een gestelde hoofdsom tot 300.000: de hoofdsom plus 30% ( = 90.000);

b. bij een gestelde hoofdsom van 300.000 tot 1.000.000:
30% over de eerste 300.000 + 20% over het meerdere tot 1.000.000 =

( = 30% van 300.000 + 20% van (1.000.000 - 300.000)) = 230.000;

c. bij een gestelde hoofdsom van 300.000 tot 5.000.000:
30% over de eerste 300.000 + 20% over het meerdere tot 1.000.000 + 15% over het meerdere tot 5.000.000 =


  90.000 = 30% over 300.000;
140.000 = 20% over het meerdere tot 1.000.000 (= 20% van (1.000.000 - 300.000));
600.000 = 15% over het meerdere tot 5.000.000 (= 15% van (5.000.000 - 1.000.000))
----------
830.000 

d. bij een gestelde hoofdsom van meer dan 5.000.000:
30% over de eerste 300.000 + 20% over het meerdere tot 1.000.000 (20% van 700.000) + 15% over het meerdere tot 5.000.000  (15% van 4.000.000) + 10% over het meerdere boven 5.000.000.


De verzoeker dient de vordering in het rekest te vermelden, conform het besluit LOVC van 13 juni 2008.